Op hoop van zegen (7)

Verwerking

Onderwijzers zijn vaak van nature belerend. Educatief ingesteld. Je hoeft echter geen onderwijzer te zijn, om deze eigenschap bij jezelf te ontdekken. Het zit waarschijnlijk in de mens. Ouders trachten hun kinderen iets bij te brengen, net als mensen nieuwe collega’s wegwijs willen maken. In ieder mens zit het in meerdere of mindere mate. Dat ik een blog produceer, heeft ook iets educatiefs. Via jouw verhalen wil je anderen iets leren, of deelgenoot maken van je ervaringen. Misschien kun je het troosten noemen. Gedeelde smart is halve smart. Het helpt de zender van het bericht, om teleurstelling te verwerken, of dingen beter te begrijpen. Op scholen is dit principe bekend. Door medeleerlingen iets uit te leggen, ga je het probleem zelf beter begrijpen. Als ik dingen meemaak, schrijf ik ze van me af. Ik ga dingen uitleggen in de hoop ze zelf beter te begrijpen, of ik zoek troost. Ondervinding is de beste leermeester, maar soms leer je van andermans fouten. De lezer van de stukjes is leergierig, weetgierig, of zoekt (on)bewust troost.

Roofvogels

Daar heeft tegenwoordig iedere postduivenhouder mee te maken. Afgelopen dinsdag had ik de oudste groep van 28 stuks los. Ze vlogen langdurig. Ik was lichter gaan voeren en bracht het daarmee in verband. Terwijl ik met de kruiwagen halfverteerde compost naar de voor reed, hield ik een oogje in het zeil. Tot ik me realiseerde, dat er nog een afwasje gedaan moest worden en ik José niet wilde teleurstellen. Vanuit het keukenraam zag ik de schaduw van de vliegende duiven, die mooi compact rondvlogen. Op zeker moment waren ze uitgevlogen, landden op het hok en daarna doken ze meteen de tuin in. Tevreden zag ik ze scharrelen, maar enkele tellen later spatte de hele groep uiteen. Op nog geen meter hoogte leken ze recht op onze woning te botsen. Ik rende naar buiten en zag op ongeveer zes meter van ons huis een sperwervrouw op het gazon op een duif zitten. Toen ik naderde, liet ze de duif los en vloog geschrokken weg. De duif kroop vervolgens onder de brede coniferenhaag. In de lucht was geen duif te bekennen en ik verkende de omgeving, op zoek naar eventueel gewonde duiven. Achter het hok zat een trillende duif. Verstijfd van angst, kon ik haar zo oppakken en in het hok zetten. Intussen  vlogen er toch weer duiven op grote hoogte en hergroepeerde de koppel zich. Ik maakte een foto op mijn mobiel en stuurde die per ongeluk naar één van mijn compagnons. Een goede verstaander heeft aan een half woord genoeg: “26 stuks”, was het antwoord per omgaand. De prooi had zich onder een stapel bouwmaterialen verstopt, achter de coniferenheg. Ik hoefde niet verder te zoeken. De 27 duifjes liet ik in de ren en aan het eind van de middag zat ook “de pech- of geluksvogel” vrijwel ongedeerd in het hok. De ‘927 heet voortaan “Sperwer”.  Of zo’n duif nog van waarde is, moet blijken. Vaak zijn het angsthazen, die bij een volgende roofvogelaanval in doodsangst de koppel verlaten en daarmee meestal hun doodvonnis tekenen.

Sperwer

“Hoe zag je zo snel, dat het een sperwervrouw en niet een havik was?”, vroeg José bij thuiskomst van de sportschool. Ik probeerde het uit te leggen. Een sperwer overrompelt een duif. Ze zat ongetwijfeld al in één van de hoge eiken te loeren en waarschijnlijk hadden de duiven dit in de gaten. Daarom vlogen ze zo langdurig. Op een bepaald moment gaan ze toch landen en onervaren als ze zijn, duiken ze dan hun vertrouwde tuin in. Dat is het moment, waar mevrouw sperwer op wacht. Vanuit hinderlaag nadert ze vliegensvlug en vaak slaat ze dan een duif, die net los komt van de grond en nog amper snelheid heeft. Sperwer en duif landden op het gazon, vlak bij de woning. Met haar iele, relatief lange poten met vlijmscherpe nagels, doorboort ze als het ware de prooi en begint ze ter plekke te peuzelen. De prooi verplaatsen lukt mevrouw niet. Hooguit enkele meters. Dat zie je, als er veerresten in de directe omgeving in de tuin, dichtbij het hok liggen. Dan zie je een plukplek en enkele meters verder nog een plukplek met soms de resten van de duif. Er is een wetmatigheid, die ik uit eigen ondervinding optekende. Als de sperwervrouw net begonnen is aan haar maaltijd en nog hongerig is, dan keert ze vaak binnen tien minuten retour naar “haar” prooi, als ze gestoord wordt.  Met eigen ogen zag ik, dat mevrouw wel probeert haar prooi mee te nemen, maar verder dan enkele meters komt ze echt niet!  Een plukplaats vlak bij je hok is voor 99% zeker het werk van mevrouw sperwer! Meneer sperwer is een klein vogeltje. Twee jaar geleden vloog er één naar binnen bij de aanleunwoningen van moeder in Twello. In de glazen pui met automatische deuren, was het beestje terecht gekomen, toen hij een mus achtervolgde. Wanhopig vloog hij tegen de grote ramen en in het trappenhuis ving ik hem. Het formaat van een tortelduif!  Met zijn scherpe nagels klemde hij mijn vingers af en veroorzaakte bloedende wondjes. Moeder Toos stond erbij toen ik hem losliet op haar balkon. Leven en laten leven …..  het is de schepping.

Havik

Een dag later had ik de tweede groep los. Die kunnen vliegen, alleen beseffen ze dat zelf nog niet helemaal. Het liefst laat ik ze voor het eerst los bij windstil en regenachtig weer, maar dat heb je niet voor het uitkiezen. De junioren hebben in de spoetnik gezeten, op het hok en in de tuin en dan wordt het tijd, dat ze het hogerop zoeken. Het is wel belangrijk, dat duiven elkaar buiten het hok als soortgenoten herkennen. Dat is namelijk niet vanzelfsprekend. Geleidelijkheid is het sleutelwoord!  Op zulke dagen, ben ik het liefst in de tuin bezig, om een oogje in het zeil te houden. Spittend in de tuin, met “Garfield” liggend op een ingedroogde mesthoop, zal de sperwervrouw niet zo snel toeslaan. Garantie is er niet, want ik maakte al mee, dat mevrouw een duif overrompelde op nog geen twee meter afstand van mijn schoenen. Ze heeft dan zoveel focus op de duif, dat ze de mens over het hoofd ziet. In deze periode ben ik meer beducht voor de havik. Momenteel is het mannetje erg actief. Haviken beginnen in maart meestal aan hun broedsel. Net als zwanen, zijn haviken elkaar vaak levenslang trouw en gebonden aan een vast territorium. Meestal hebben ze meerdere nesten, die “horsten” genoemd worden. Vanwege parasieten wisselen ze nog weleens. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 4 eieren en in deze fase mag het mannetje zich bewijzen als jager. Ze paren regelmatig en het lijkt erop, dat dit een soort beloning en aansporing is voor hem. Haviken broeden ongeveer een maand, daarna hebben ze nog meerdere weken werk aan het groot brengen van de jongen. Moeder valt in deze fase in de rui en wisselt haar slagpennen nu manlief de zorg voor de jacht op zich neemt. De mannetjeshavik heeft momenteel de trek op de jonge duiven in Gietelo. Nu ze nog niet in een koppel vliegen, kan hij de onbeholpen junioren gemakkelijk uit de lucht plukken en is het thuis gekomen “een wippie voor een kippie”. Woensdagavond ontbrak er een junior van de tweede groep. Je kunt niet de hele dag alles in de gaten houden, maar weet eigenlijk wel hoe laat het is. Donderdag moest de tweede groep wel weer los. Ze begonnen aardig gegroepeerd te vliegen. Terwijl ik aan de volgende voor bezig was, waren er ineens een hoop kraaiachtigen in de lucht. Ook de kippen sloegen alarm. Ik keek omhoog en zag meneer havik, die op het punt stond zijn prooi te scheppen in de lucht. Van echt jagen is geen sprake. Het is als karpervissen in een vijver van drie meter doorsnee. Ik klapte in mijn handen en begon te schreeuwen. In de buurt gingen er deuren open en begonnen er honden te blaffen. “De buurman heeft weer het gekke halfuur”, zullen ze gedacht hebben. De junioren waren in paniek uiteen gestoven en de eerste prooi wist in de consternatie te ontkomen. Meneer was niet ontmoedigd en dook richting de tweede prooi. Het lawaai op de grond, stoorde hem net voldoende om ook zijn tweede doelwit te missen. Typisch de mannelijke havik. Veel aanvallen en weinig scoren. Driemaal was echter scheepsrecht: een vaal doffertje poogde tegen de wind in te ontkomen. Dat was een kolfje naar de hand van de drieste aanvaller. Kinderlijk eenvoudig achterhaalde hij zijn prooi, ging er boven vliegen en als een helicopter met een onderhangende tank vertrok hij in westelijke richting. “Mister Bussloo”, dacht ik. Nadat Martin en Joke eind 2014 vertrokken bij het voormalige MOP-complex in Bussloo, hebben de haviken Gietelo als jachtterrein. In drie dagen drie keer raak voor een knaak! Of je nu gebeten wordt door de hond of de kat, maakt geen verschil. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Het leermoment: vrouwelijke sperwers overrompelen onze duiven vlakbij het hok, als ze op het dak rusten of op het gazon scharrelen. Ze kunnen hun prooi niet vliegend verplaatsen en verorberen die ter plekke. Haviken jagen in de regel op vliegende duiven. Zowel het vrouwtje als het mannetje zijn mans genoeg om hun prooi vliegend door de lucht mee te nemen. Het vrouwtje is het meest gevreesd, vanwege haar hoge scoringspercentage. Het mannetje is een opportunist, die vaak mist, maar zich drie slagen in de rondte werkt om vrouwlief te behagen. De mannetjeshavik wordt qua formaat wel vergeleken met het vrouwtje van de sperwer. Mevrouw sperwer is met haar typische overrompelingstactiek veel gevaarlijker voor onze duiven. Meneer havik is weliswaar qua grootte vergelijkbaar met de vrouwelijke sperwer, maar hij is robuuster en sterker en kan een duif in de lucht vervoeren naar zijn nest of plukplaats. Duiven, die strak in het gelid vliegen en al wat ervaring hebben, weten meestal aan de opportunistische mannelijke havik te ontkomen. Als jonge duiven piepen en nog niet strak in het gelid vliegen de eerste weken, zijn ze een gemakkelijke prooi voor de mannetjeshavik!

Rode wouw

Doordat ik van jongsaf geïnteresseerd ben in vogels en ooit lid was van “Vanellus vanellus”, heb ik diverse abonnementen op natuurgerelateerd leesvoer. “Mijn Natuur” is een voortvloeisel van mijn betrokkenheid bij de kievit, met de eerder genoemde Latijnse naam, waarvan ik automatisch abonnee werd. Een leerzaam blad met fantastische foto’s. Afgelopen editie stond de rode wouw in het middelpunt en op de voorpagina. Twee jaar geleden spotte ik een rode wouw boven Gietelo. Met zijn kenmerkende vorkstaart was hij gemakkelijk te determineren. De rode wouw is vanuit de Ardennen bezig aan een sterke opmars in Nederland. Het goede nieuws: het is een prachtige roofvogel, maar geen bedreiging voor onze duiven. De rode wouw houdt van ruig grasland, wat extensief beheerd wordt. Op het menu staan voornamelijk veldmuizen en woelratjes. Verder is het een aaseter en opruimer, zoals onze bekende buizerd. Naar schatting broeden er enkele tientallen broedparen in met name het oosten van het land en rukt de rode wouw verder op.

Optimist

Van nature ben ik optimistisch. In drie dagen “drie keer raak voor een knaak” betekent niet, dat ik de moed opgeef. Tot na de paasdagen blijven de duiven binnen. Even de routine bij de roofvogels doorbreken. Ik ga dan de onervaren nieuwe groepen in de middaguren de vrijheid geven. De oudste groep durf ik wel in de ochtend los te laten. Ook in voorgaande jaren had ik weleens meerdere dagen op rij pech met de roofvogels. Vooral in de uitwenfase.  April wordt een moeilijke maand, maar daarna wordt het probleem kleiner. In mei is er meer aanbod van jonge prooidieren in de vrije natuur en worden onze duiven slimmer en sneller. “Richt je op de duiven die overblijven”, zeiden Martin en Joke altijd. In 2016 ging ik van 115 duiven bij aanvang, naar 15 stuks aan het eind van de rit. Een ontsnapte of bewust losgelaten “tamme” havik pakte toen in haar eentje 60 duiven in Gietelo. Er zit een triest verhaal achter, dat ik later hoorde, maar in dit verband niet relevant is. Toen kon ik de duiven niet aan huis los laten en bracht ik ze enkele keren per week naar Ravenstein als training. Wie dat overleeft, kan alles aan. Vorig jaar begonnen we met 100 stuks en eindigden met 50. Dat was voor Gietelse begrippen een meevaller. Wie dichtbij hoogspanningsdraden duiven houdt, weet wat er kan gebeuren. Wie in de uiterwaarden woont, is gewend aan natte voeten. Bertus v.d. Esschert in Welsum had zijn duivenhok ooit in het IJsselwater staan. In Gietelo wonen we in het leefgebied van verschillende roofvogels. Dan weet je vooruit, dat je in het gunstigste geval tien duiven voor de roofvogels kweekt. Leuk is het niet, maar er zijn ergere dingen! (wordt vervolgd)